*

U kijkt naar de website van NRCBoeken 2007-2011. Bezoek ook de de huidige site.

OVER HET NUT EN NADEEL VAN GESCHIEDSCHRIJVING VOOR HET RIJK

Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. Deel 14. Reacties eindredactie J. Th. M. Bank en P. Romijn 1112 blz., SdU Uitgeverij 1991, f 89,90 ISBN 90 12 06114 8

Bijna waren de veertien delen en achtentwintig banden van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog er niet geweest. Aanvankelijk had de overheid immers vier hoogleraren - uit elke zuil een - aangezocht voor het project. Maar zij kwamen al snel tot de conclusie dat zij de taak naast hun andere werkzaamheden onmogelijk tot een goed einde zouden kunnen brengen. Uiteindelijk kreeg in 1955 toch nog de jonge historicus L. de Jong, die al in 1948 had gepleit voor een dergelijke onderneming, van de Minister van Onderwijs en Wetenschappen het verzoek de geschiedenis te schrijven van de Nederlanden in oorlog. En zo kon vanaf 1969 de verschijning van elk nieuw 'Deel van De Jong' een nieuwe ronde beginnen van het openbare debat over de Tweede Wereldoorlog en over de wijze waarop hij de geschiedenis daarvan schreef. Deel 14 is definitief het laatste deel. Het is gevuld met opvattingen van anderen over de voorgaande dertien delen. Bovenal is het een boek dat de gelegenheid biedt terug te kijken op de wording van Het Koninkrijk, en daarbij sine ira et studio de wetenschappelijke aanpak van De Jong onder de loep te nemen. Het idee voor deze afsluiting leefde al bij De Jong in 1969 toen hij het eerste deel presenteerde. In 1987 vroeg de Minister van WVC het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een onafhankelijke commissie van vakhistorici in te stellen. Deze commissie, bestaande uit de historici J. Th. M. Bank, C. Fasseur, A. F. Manning, E. H. Kossmann, A. H. Paape en I. Schoffer, toog in december van dat jaar aan het werk. J. Th. M. Bank en P. Romijn tekenden voor de eindredactie. De commissie heeft niet de rol van arbiter op zich genomen wat sommigen misschien wel hadden gehoopt en anderen gevreesd. Deel 14 is ook geen bloemlezing geworden van lovende artikelen en bewieroking van Nederlands meest bekende geschiedschrijver. De redactie schrijft vooral te hebben gezocht naar 'afwijkende opinies en kritische reacties'.

MEELEZERS

Interessant is dat de redactie eerst de discussies behandelt die zich hebben afgespeeld in de begeleidingscommissie en tussen de 'meelezers' en De Jong. Hier kunnen we een glimp opvangen van wat er gebeurde achter de schermen. Het overleg voorafgaand aan publikatie was weliswaar niet openbaar, maar de redactie heeft terecht dit materiaal gebruikt. Hierdoor heeft dit laatste deel enorm aan waarde en inhoud gewonnen. Zo is er verschillende malen sprake van een 'levendige discussie' tussen De Jong en de begeleidingscommissie, en dan kun je er volgens mij van verzekerd zijn dat het er flink hard aan toe is gegaan. De indruk is onmiskenbaar dat De Jong zich in het algemeen niet erg het hoofd lijkt te hebben gebroken over werkwijze en methodiek. In Deel 13, dat onder andere een verantwoording beloofde, is hij nauwelijks ingegaan op methodische vragen, maar heeft hij zich beperkt tot een uiteenzetting over zijn kaartsysteem en deed hij een betrekkelijk afgezaagd en gemakzuchtig beroep op het cliche dat geschiedenis nu eenmaal een discussie zonder eind is. Het was de bedoeling dat de begeleidingscommissie als wetenschappelijk klankbord voor de auteur zou dienen. Zij moest het bestuur van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie adviseren om bij de minister machtiging tot publikatie aan te vragen. In de praktijk kwam dit neer op een standaardbrief waarin het wetenschappelijk niveau als voldoende werd bestempeld. Het is opvallend dat zaken die in de begeleidingscommissie aanleiding waren tot veel discussie, achteraf in de media dikwijls geen aandacht kregen en andersom. Zo was er na publikatie van Deel 1 in de pers nogal wat rumoer over de defensie-inspanningen van Nederland in het interbellum, terwijl de begeleidingscommissie vooral had geredekaveld over de vooroorlogse betrekkingen tussen Nederland en Duitsland. Een ander voorbeeld is de beschuldiging aan het adres van David Cohen, een der voorzitters van de Joodse Raad, dat hij adressen van joodse kinderen aan de Duitsers zou hebben doorgespeeld. De begeleidingsgroep negeerde deze aantijging geheel, maar in de pers, vooral in het Nieuw Israelitisch Weekblad, werd hij uitgebreid besproken. Overigens heeft De Jong haar in Deel 13 geschrapt. De eerste wetenschappelijke bespreking van Het Koninkrijk verscheen in 1971 in het Tijdschrift voor Geschiedenis van de hand van Ivo Schoffer. Hij noemde de eerste drie delen van De Jong, die hij kwalificeerde als een traditioneel historicus, een meesterwerk en tegelijkertijd curieus. In feite was zijn kritiek tamelijk ernstig: De Jong was volgens Schoffer te vaak zelf aan het woord, toonde een gebrek aan einfuhlen en een overdaad aan schoolmeesterachtigheid.

TORNEN

De ongemakkelijke combinatie van fundamentele kritiek en lovende woorden is kenmerkend voor vele academische besprekingen van het werk van De Jong. Schoffer stelde in 1971 al de vraag of er wel behoefte is aan ''zulke alomvattende, alles vastleggende en uit de doeken doende geschiedwerken in verhalende vorm''. ''Is er niet het gevaar,'' vroeg hij zich af, ''dat juist zulk werk een 'accepted history' zal gaan bieden, waaraan de latere geschiedvorsing en -schrijving alleen met grote moeite en inspanning zal kunnen tornen?'' Opmerkelijk is dat de redactie van Deel 14 een aparte paragraaf heeft gewijd aan De Jongs bedrevenheid in de omgang met de media. Hier is een notitie te vinden van Jan Bank, zelf ooit journalist, die hij schreef voor de redactiecommissie. Zijn conclusie is ''dat er weliswaar van directe benvloeding van de pers geen sprake was, maar dat een combinatie van dwingende produktiefactoren en een perfecte beheersing van de journalistieke conventies De Jong in staat heeft gesteld de eerste weerklank op zijn werk in de media te orkestreren.'' Het eigenlijke functioneren van de begeleidingscommissie is een heel ander en tot nu toe weinig belicht verhaal. Zij kon immers nog invloed uitoefenen op de tekst van De Jong, of liever gezegd, verkeerde in de veronderstelling dat te kunnen. Dat dit in veel gevallen een illusie bleek, moet op den duur sommigen van hen wel ontmoedigd hebben. Al tijdens de wording van het manuscript van Deel 4 drong de toen uitgebreide commissie aan op meer afronding en voorlopige analyse, meer comparatieve elementen en een minder magere annotatie. Kritische opmerkingen die daarna regelmatig zouden terugkeren. De Jong liet zich niet gemakkelijk overtuigen. De aanpassingen waartoe hij na discussie besloot, betroffen vaak nuances van waarderingen. Zo had hij de ijver van de hervormde kerk om de joden tot het christendom te bekeren 'minder zinvol' genoemd. De begeleidingsgroep wilde dat hij zich wat sterker zou uitdrukken en het werd uiteindelijk 'minder gepast'. De radiotoespraak van J. A. W. Burger, minister zonder portefeuille, in 1944 waarin hij pleitte voor matiging bij de zuivering en internering van van collaboratie verdachte personen, noemde De Jong in zijn manuscript een 'monumentale' blunder. Dit verving hij door het iets zwakkere adjectief 'grove'. Het kwam ook veel voor dat hij toezegde een formulering nog eens te zullen bekijken en deze vervolgens ongewijzigd handhaafde. Dit was bijvoorbeeld het geval inzake de strategische betekenis van de geallieerde luchtbombardementen op Duitsland. Op dit punt vond hij A. J. van der Leeuw, een collega van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, tegenover zich die zich erover verbaasde dat De Jong hier geen morele veroordeling over uitsprak. Verreweg de meeste beroering ontstond naar aanleiding van De Jongs paragraaf 'Oorlogsmisdrijven' in Deel 12 over Nederlands worsteling met de Republiek Indonesie. Na een storm van verontwaardiging onder de begeleidingsgroep en de 'meelezers' herschreef De Jong de hele paragraaf en verving 'oorlogsmisdrijven' door 'geweldsexcessen'. In een notitie aan de commissie schreef hij: ''Veel van dit alles had ik kunnen bedenken voor ik de betrokken paragraaf schreef. Ik betreur het dat ik dat niet heb gedaan.'' DODENHERDENKING Op sommige punten wist De Jong echter van geen wijken. Dat was het geval wanneer het zijn persoonlijke ervaringen tijdens de oorlogsjaren betrof. Zo beschreef hij in Deel 3 zijn vlucht in mei 1940 uit Nederland. In Deel 7 maakte hij de lezer deelgenoot van het lot van zijn familieleden in bezet gebied. In Deel 12 blikte hij in een beschouwing over de dodenherdenking van mei 1985 nog eens terug op de geschiedenis van zijn familie en vrienden. De leden van de begeleidingscommissie waren in het algemeen niet gelukkig met deze passages. De Jong sloot echter de discussie hierover door de volgende opmerkingen: ''Dit is geen wetenschappelijke, het is veeleer een emotionele kwestie. Ik zou het dan ook op prijs stellen wanneer over mijn beslissing verder niet werd gediscussieerd.'' De kritiek op zijn gebrekkige bronnenverantwoording schudde hij in Deel 13 als volgt van zich af: '' 'De Amerikaanse toneel- en filmspeler John Barrymore schreef eens', aldus Rob Nieuwenhuis in zijn Oost-Indische Spiegel, 'dat hij zo'n hekel had aan voetnoten. Het is, zei hij, alsof je tijdens je huwelijksnacht telkens de trap af moet omdat er gebeld wordt.' '' Na lezing van Deel 14 rijst wel de vraag wat nu eigenlijk het nut van de begeleidingsgroep is geweest. Gaandeweg wordt de machteloosheid van de begeleidingsgroep tegenover De Jong wel erg voelbaar. Het is alleszins begrijpelijk dat er in de loop der jaren een zekere moedeloosheid optrad onder de commissieleden. Toen het project eenmaal op de rails stond, was de toon gezet en aangezien De Jong vastbesloten was het project tot een einde te brengen op de manier zoals hij eraan was begonnen, had het ook eigenlijk weinig zin om steeds maar dezelfde kritiek te blijven herhalen. Als alles volgens plan was verlopen, zou de reeks al in 1961 zijn afgerond. De Groningse hoogleraar E. H. Kossmann vroeg zich in een artikel in Ons Erfdeel in 1985 af of De Jong dit ooit wel serieus van plan is geweest. Het eerste deel kwam immers pas in 1969 uit en in het voorwoord schreef hij toen dat hij in 1955 al dacht minstens vijftien jaar voor het project nodig te hebben en zich op het moment dat hij dit schreef (1969) realiseerde daar tien jaar bij te moeten optellen. Inmiddels weten we dat daar nog eens tien jaar bij zijn gekomen. Al met al is hier sprake van een ernstig uit de hand gelopen overheidsopdracht. In plaats van de geplande zes jaar heeft het project immers maar liefst vijfendertig jaar, bijna zes keer zo lang, geduurd. Voorzover mij bekend heeft dit vreemd genoeg nooit tot ophef van enige betekenis geleid. De budgetoverschrijding bij de bouw van de Amsterdamse Stopera is er niets bij. Het zou interessant kunnen zijn eens na te gaan of ooit een minister heeft overwogen in te grijpen.

ONTNUCHTEREND

In het algemeen is het bij lezing van Deel 14 nogal ontnuchterend te merken hoe weinig niet-historici blijken te begrijpen, of misschien te willen begrijpen wat geschiedschrijving eigenlijk behelst. Natuurlijk impliceerde niet alleen het onderwerp maar ook de aanpak van De Jong dat hij meer problemen opriep dan andere historici die zich met contemporaine geschiedenis bezig houden. Kern van de kwesties is dat De Jong schreef voor en vanuit het perspectief van tijdgenoten - dat had hij zich expliciet ten doel gesteld - en het goed-fout schema hanteerde dat tijdens de oorlogsjaren algemeen aanvaard was. Maar zodra de moraliserende benadering van hun zegsman zich tegen hen keerde, raakten de tijdgenoten in rep en roer. Hoe ver die problemen kunnen gaan met contemporaine geschiedschrijving, blijkt uit een bericht in De Telegraaf van 3 december 1987, waarin melding werd gemaakt van psychische klachten bij oud-militairen en oorlogsslachtoffers uit Nederlands-Indie naar aanleiding van de publikatie van De Jongs concept-hoofdstuk 'Oorlogsmisdrijven'. De psychiater J. Bastiaans vond het volgens dit bericht ''dringend noodzakelijk dat de regering meer rekening houdt met de grote psychische schade, die door omstreden geschiedschrijving kan ontstaan''. Tja, dan was de oplossing van Indie-veteraan J. Zwaan beter. Hij raadde zijn collega-veteranen aan om Deel 12 van De Jong niet te lezen: ''Op onze leeftijd is dat echt ongezond. De ergernis over het onbegrip en de verguizing zullen Uw hart geen goed doen.'' En hij besloot: ''Wij hebben voor hetere vuren gestaan.''

ERGERNIS

Met het verstrijken der jaren nam de felheid van de kritiek toe, ook al omdat De Jong zich nergens wat van aan leek te trekken. Na publikatie van Deel 10a liet zelfs een van de leden van de begeleidingscommissie zijn opgekropte ergernis de vrije loop. In Het Parool van 27 maart 1981 publiceerde P. W. Klein het geruchtmakende stuk 'Lou de Jong of het orakel spreekt'. Klein haalde ongezouten uit tegen De Jong: ''Zijn gemoraliseer, zijn pathetische toonzetting, het oncontroleerbare van zijn uitspraken, zijn kroniekmatige aanpak, het gebrek aan thematische analyses van structuren en processen, zijn blindheid voor de werking van onpersoonlijke maatschappelijke krachten, zijn onevenwichtige behandeling van de stof - meer bepaald door wat toevallig bekend is dan door probleemgericht onderzoek - zijn wijdlopigheid, de gebrekkige annotatie, het gemak waarmee hij zijn bron als juist dan wel onjuist accepteert, zijn ongebreidelde voor- en afkeuren - ten aanzien van met name personen: het is alles voer voor historische kritiek.'' Dat is het zeker, maar toch is het inzake het oeuvre van De Jong zinnig onderscheid te maken tussen het nut voor de tijdgenoten en de waarde voor de geschiedschrijving. Als publieksboek, als een monument, is het gerechtvaardigd van een geslaagde onderneming te spreken. Vanuit geschiedwetenschappelijk oogpunt zijn vraagtekens over Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog als onderneming op hun plaats.

Door zijn aanpak heeft De Jong verzuimd de lezers te betrekken in de wetenschappelijke moeilijkheden die zich voordoen bij het afwegen en interpreteren van verschillende en dikwijls tegenstrijdige bronnen. Deel 14 kan dit verzuim niet goedmaken, maar dankzij de wijze waarop de redactiecommissie haar werkzaamheden heeft verricht, zal het vele toekomstige onderzoekers uitstekende diensten bewijzen. Ook geschiedenisdocenten kunnen er fantastisch materiaal uit putten voor lessen over theoretische geschiedenis.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.