*

U kijkt naar de website van NRCBoeken 2007-2011. Bezoek ook de de huidige site.

Novelle van H.M. van den Brink

Aan gene zijde van de pijngrens ligt het geluk

H.M. van den Brink: Over het water. Novelle. Meulenhoff, 142 blz. ƒ 27,90

Geluk? Daarover hoor je niet te spreken. Een woord teveel en het is al lachwekkend. Twee woorden en het is verdwenen, weg. Deze gedachte, geformuleerd door een jongen van nog geen 23, is de kern van een verhaal waarin het nou eens niet draait om het onvervulbare verlangen naar geluk, maar om de verwezenlijking ervan. In Over het water van H.M. van den Brink wordt gereikt voorbij een uiterste grens, waar het geluk zo tastbaar is dat je het vast kunt pakken en je hoofd erop kunt leggen.

Geluk, meent hoofdpersoon Anton, ligt in het herstel van een ooit verbroken harmonie, toen de wereld in tweeën viel. Sinds die splijting zweven volgens een door hem verbasterde versie van Plato's Symposium overal losse helften rond, die wanhopig naar elkaar op zoek zijn. Slechts een heel enkele keer komen twee wederhelften elkaar tegen. Misschien is de vervulling van het verlangen naar compleetheid alleen in de liefde te bereiken, misschien in sport, maar vast staat volgens Anton 'dat je jezelf pijn moet durven doen om tot vlak bij het ogenblik te komen waarop de tegendelen zich verenigen'.

In Over het water wordt de pijngrens aan gene zijde waarvan zich de mystieke gelukservaring bevindt, een aantal keren overschreden, om uiteindelijk definitief geslecht te worden. Het verhaal, een op het oog simpele geschiedenis van een eenvoudige Amsterdamse jongen, wordt namelijk verteld door een stervende, iemand die zich - nadat de wereld tussen 1940 en 1945 opnieuw uit elkaar is gevallen - door een zelfmoord verzoent met en bevrijdt van zichzelf.

Dat is althans een mogelijke interpretatie van deze verrassend lichte novelle, waarin de jonge roeier Anton in de laatste oorlogswinter herinneringen ophaalt aan de mooiste tijd die hij ooit beleefd heeft: de eindeloze, zonovergoten zomer van 1939 die voorafging aan het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

Tijd en plaats lijken aanvankelijk van ondergeschikt belang. Anton groeit op in de nieuwe, onpersoonlijke Edelstenenbuurt, gebouwd in de Amsterdamse stijl en bedoeld om de lagere middenklassen (zijn vader werkt bij de tramremise) het gevoel te geven dat de overheid het allerbeste met hen voor heeft. Aan de jongen is het donkere huis niet besteed, hij snakt naar licht, lucht en ruimte en raakt gefascineerd door de de rivier die langs de buurt loopt.

De titel heeft minimaal drie betekenissen. In lyrische bewoordingen laat Van den Brink zijn hoofdpersoon uitweiden over de substantie water, maar Over het water betekent ook de scheiding tussen de armzalige Edelstenenbuurt en de deftige overzijde met de roeivereniging waar alleen rijken lid van zijn. Anton slaagt erin de rivier over te steken, de ballotage te doorstaan en als lid van de vereniging het geluk deelachtig te worden.

Na veel geploeter in een acht wordt Anton uitverkoren om samen met clubgenoot David te gaan trainen in de onwaarschijnlijke ranke twee zonder stuurman. Tussen de twee jongens is geen groter contrast mogelijk. Anton lijdt aan een minderwaardigheidscomplex, voelt zich - behalve op het water - nergens thuis, weet niet wat er in de wereld gebeurt en moet al op zijn zeventiende gaan werken op een kantoor. David zit op het gymnasium, woont in een villa aan het park en heeft 'het gezicht en het lichaam van iemand die bij zijn geboorte niet alleen een leven maar meteen ook de hele wereld cadeau heeft gekregen'. Tenminste, zo denkt Anton er in de zomer van '39 over. Cynisch genoeg is David die wereld afgenomen op het moment dat het verhaal wordt verteld. Tussen de regels blijkt namelijk dat de jongen joods is: het grote huis aan het park waar hij opgroeide is aan het einde van de oorlog verlaten.

Anton en David mogen op het oog elkaars tegenpolen zijn, als ze zes maal per week in hun roeiboot over het water scheren, completeren ze elkaar, worden ze, in hun beste momenten, één geoliede machine. Erotiek speelt in Antons gevoelsleven geen noemenswaardige rol, maar het verlangen naar David, naar het moment dat hun lichamen en hun bewustzijn versmelten, heeft een seksuele component. Als Anton in de zomer van '39, waarin hij samen met David wedstrijd na wedstrijd wint, zichzelf naakt in de spiegel bekijkt, vindt hij wat hij ziet fantastisch en beleeft hij een moment van zelfontstijging. Er is geen verschil meer tussen alleen en samen. 'Hij was mijn spiegelbeeld en ik het zijne. Ik was door David van mijzelf gaan houden.'

Intermediair tussen Anton en David is hun coach Schneiderhahn, een politieke vluchteling uit Duitsland, die de jongens klaarstoomt voor Olympische Spelen, waarvan hij met zekerheid weet dat ze niet gehouden zullen worden. Alleen Anton heeft op dat moment nog een wereld te winnen en identificeert zich met 'de snelste blanke', een Nederlandse hardloper die tijdens de Olympische spelen van 1936 in Berlijn op de honderd meter sprint derde werd na twee zwarte Amerikanen. Schneiderhahn houdt zich als fanatieke trainer van de twee jongens bezig met een even nutteloze als wanhopige vlucht naar voren. Alsof hij met zijn winnende schema's een onheilspellende toekomst kan bezweren. Al doende bezorgt hij Anton - voorwaar een gezonde geest in een gezond lichaam - de grootste geluksmomenten van zijn leven, waarin hij de tegenstellingen in zichzelf en die tussen hem en de wereld weet op te heffen.

Van den Brink, die al in eerdere boeken (behalve de roman De vooruitgang, schreef hij gebundelde journalistieke reportages) heeft bewezen over een mooie pen te beschikken, overtreft in Over het water zichzelf in stilistisch opzicht. De kadans van de zichzelf opzwepende roeiers die tijdens hun laatste wedstrijd in een dubbele sprint op de finish afgaan, klinkt door in het ritme van zijn ingetogen, aan een strak schema gebonden proza.

Veel wordt weggelaten of alleen maar gesuggereerd en af en toe verging het mij als lezer ongeveer zoals de roeier wiens fysieke geheugen soms niet strookt met dat van zijn hersens. Er loopt iets consequent niet synchroon in Over het water en dat is - lijkt me - ook precies Van den Brinks bedoeling.

De compleetheid - of noem het geluk - waar Anton zo hevig naar verlangt vindt hij, aan de vooravond van de bevrijding van Amsterdam, op de vlonder van zijn oude roeivereniging. Daar, terwijl het water hem zoekt en uiteindelijk vindt, vertelt hij in retrospectief zijn verhaal 'En terwijl de nacht in een dag verandert, wordt alles dubbel op het water: een boom die zich vooroverbuigt ziet zichzelf weerspiegeld, net als de vogels, de wolken, een boot, een visser. Anton en David. Tweetallen die door het water zijn gemaakt, de enige bevrijding die voor mij iets betekent.'

Uit: H.M. van den Brink, Over het water.

Geen beweging zonder moeite. Geen geluk zonder pijn erbij, die je kunt voelen, aan kunt wijzen, bij zijn spartelende staart kunt grijpen terwijl het makkelijker zou zijn om geen moeite te doen en hem weg te laten glippen.

Rustiger.

De zon scheen iedere dag. De trainingen werden zwaarder. Naarmate we beter ingespeeld raakten op elkaar, was Schneiderhahn het accent op het verleggen van de pijngrens gaan leggen. We kenden de opkruipende vermoeidheid van een lang stuk varen met een stevige haal. We wisten ook hoe de inspanning voelde van een laatste ruk aan de halters, de laatste tien halen van een serie. Dat kostte moeite, maar deed nog niet echt pijn. Voor de echte pijn moet je ook de longen overbelasten.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.