*

U kijkt naar de website van NRCBoeken 2007-2011. Bezoek ook de de huidige site.

Ludwig Wittgenstein: Tractatus logico-philosophicus, 1918

De oogst van onze eeuw

Krakau, 29 september 1914. Terug van een desolate tocht op een kanonneerboot over de Weichsel om op kozakken te schieten beschrijft een jonge soldaat van het Oostenrijks-Hongaarse leger in zijn dagboek hoe voor een Parijs gerechtshof een auto-ongeluk wordt nagespeeld met behulp van poppen en speelgoed-auto's. Hij voegt eraan toe: 'Hieruit moet (als ik niet blind ben) onmiddellijk het wezen van de waarheid blijken.'

Ludwig Wittgenstein: Tractatus logico-philosophicus, Suhrkamp, ƒ37,75 (deel 1 van het Verzameld Werk, pbk), de Tractatus los, ƒ12,45 (pbk)

De soldaat is Ludwig Wittgenstein (1889-1951), de gebeurtenis voor de rechtbank een sleutel tot zijn moeilijk doordringbare Tractatus Logico-Philosophicus. Nog geen zesentwintig was hij, en al erkend als genie. De beroemdste filosoof van die tijd, Bertrand Russell, had Wittgensteins zuster Hermine tijdens een theebezoek onthuld: 'We verwachten dat de volgende grote stap in de wijsbegeerte genomen zal worden door uw broer.'

Wittgenstein zou dit compliment verontwaardigd van de hand hebben gewezen, zoals hij vaak in woede uitbarstte, wanneer Russell hem verkeerd begreep. De ruzies tussen Wittgenstein en Russell gingen meestal over de logica. Wittgenstein wilde de logica zo zuiver mogelijk houden. 'De logica moet voor zichzelf zorgen', luidt één van zijn stellingen in de Tractatus (5.473). Onder 'logica' verstond Wittgenstein de moderne logica zoals die in 1879 was ontworpen door de Duitse wiskundige en filosoof Gottlob Frege (1848-1925). Uitgangspunt van Frege was een nieuwe analyse van het oordeel. Traditioneel ontleedde men een zin als 'Socrates is kaal' in drie elementen: een subject (Socrates), een verbindingswoord (is) en een predikaat (kaal). Frege analyseerde het oordeel niet in drie maar twee elementen: begripswoorden, zoals '... is kaal', die moeten worden aangevuld met eigennamen om een volledige zin op te leveren. Over die eigennamen had Frege een ruime opvatting. Volgens hem waren niet alleen namen als 'Kok' en 'Lubbers' eigennamen, maar ook beschrijvingen als 'de minister-president van Nederland'.

Russell had al in 1905 betoogd dat beschrijvingen zich anders gedragen dan namen. Heet je eenmaal 'Kok' of 'Lubbers' dan verwijst die naam zelfs na je dood nog naar je. De beschrijving 'de minister-president van Nederland' verwees in 1986 echter nog naar Lubbers maar in 1996 naar Kok. Russell ging nog een stap verder. Eigenlijk is de naam 'Kok' óók een beschrijving, namelijk van de verzameling van alle zintuiglijke indrukken die wij van die man hebben; de 'logische atomen' waaruit de betekenis van de naam Kok zou bestaan.

Wittgenstein was het met Russell eens dat Frege's analyse niet ver genoeg ging. Maar hij verwierp de suggestie dat de gewenste logische atomen zintuiglijke indrukken zouden zijn. Zinnen ontlenen hun betekenis aan het feit dat ze een mogelijke 'stand van zaken' in de werkelijkheid afbeelden, net zoals de poppen en speelgoedauto's in de Parijse rechtszaal mogelijke versies van een verkeersongeluk representeren.

Deze afbeeldingstheorie van de propositie heeft ingrijpende consequenties voor logica, ethiek en voor de opvatting van wat filosofie is. Allereerst voor de logica. Logische zinnen hebben wel betekenis, maar beelden geen mogelijke stand van zaken in de werkelijkheid af. Neem de zin: 'Indien, als Lodewijk ontslagen wordt, Gertie huilt, dan is het zo dat, als Gertie niet huilt, Lodewijk niet ontslagen is.' Deze zin is waar op grond van de betekenis van de logische verbindingswoorden 'indien.., dan...', niet omdat hij overeenkomt met een stand van zaken in de werkelijkheid.

Logische stellingen zijn volgens Wittgenstein dus tautologieën die niets zeggen over de werkelijkheid, maar wel de betekenis tonen van logische verbindingswoorden. In de Tractatus is logica niet langer de kunst van het geldige redeneren, maar het ontdekken van logische relaties tussen betekenisvolle zinnen. De logicus zelf, die oordeelt en redeneert, is verdwenen.

De Tractatus eindigt met aforismen over ethiek. Zoals de zinnen van de logica niets zeggen maar hun betekenis tónen, zo zeggen ethische uitspraken evenmin iets over de werkelijkheid. Immers, welke stand van zaken zou de uitspraak 'willekeurig martelen is slecht' afbeelden? De ethiek laat zich niet onder woorden brengen. Zij kan slechts getoond worden: in het leven.

Die opvatting van ethiek krijgt meer diepgang, wanneer men bedenkt dat Wittgenstein ze schreef in de loopgraven aan het oostfront. Wittgenstein gooide zich in het oorlogsgeweld alsof hij de dood zocht. Twee van zijn broers hadden in respectievelijk 1903 en 1904 zelfmoord gepleegd, toen ze beseften dat ze homoseksueel waren. Wittgenstein was nu even oud en tot dezelfde ontdekking gekomen. Maar op 10 januari 1917 schrijft hij: 'Indien de zelfmoord toegestaan is, is alles toegestaan.' Het is niet onmogelijk dat de wil om de Tractatus te voltooien zijn lijfsbehoud is geweest.

De afbeeldingstheorie van de propositie heeft ook belangrijke gevolgen voor de filosofie. Als zinnen immers alleen betekenisvol zijn als ze een mogelijke stand van zaken in de werkelijkheid afbeelden, hoe zit het dan met uitspraken over zinnen? Zulke uitspraken, waaruit de filosofie bestaat, beelden niet een mogelijke stand van zaken af en zijn dus strikt genomen betekenisloos. Wittgenstein concludeert: 'Mijn stellingen zijn verhelderend omdat hij die me begrijpt, ten slotte erkent dat ze onzinnig zijn, als hij door middel van mijn stellingen — op hen — boven ze uit geklommen is. ('Hij moet om zo te zeggen de ladder omvergooien na erop geklommen te zijn.' 6.54) Wittgenstein was consequent: hij verliet de wijsbegeerte en trok zich terug op het Oostenrijkse platteland. Hij had, schreef hij in het voorwoord van de Tractatus, 'de problemen in wezen voorgoed opgelost.'

De Tractatus ging nu een eigen leven leiden. Een groep Weense wetenschappers en filosofen verhief stelling 4.024 ('Een volzin begrijpen, betekent, weten wat het geval is, indien hij waar is.') tot slogan. Zij lazen die als 'de betekenis van een zin is de methode van zijn verificatie'. Dit beginsel hanteerden zij als wapen in de strijd tegen 'onverifieerbare', in hun ogen zinloze metafysica's zoals die van Martin Heidegger, die zich had geassocieerd met het Nazi-regime.

Hun positieve, op de natuurwetenschappen geënte benadering van de wijsbegeerte was Wittgenstein echter wezensvreemd. Na negen vertwijfelde jaren kwam hij in 1928 terug op zijn besluit de wijsbegeerte vaarwel te zeggen. Hij ging terug naar Cambridge als research-student. Om voor die positie in aanmerking te komen kon hij beter gepromoveerd zijn. Als dissertatie leverde hij de Tractatus in bij zijn examinatoren G.E. Moore en Russell. De slotzin van Moore's beoordelingsrapport luidt: 'Het is mijn persoonlijke opvatting dat het proefschrift van de heer Wittgenstein het werk is van een genie; maar, hoe dat ook zij, het voldoet zeker aan de eisen die in Cambridge gesteld worden aan de graad van doctor in de wijsbegeerte.'

Wittgensteins latere werk - vooral zijn tweede meesterwerk, de Filosofische Onderzoekingen - laat zich lezen als een commentaar op de Tractatus. Verdwenen is het geloof in de zuiverheid van de logica die voor zichzelf zou zorgen. Verdwenen is ook het jeugdige zelfvertrouwen. 'Ik zou graag een goed boek hebben voortgebracht. Het is anders gelopen; maar de tijd is voorbij, waarin ik het zou hebben kunnen verbeteren.' Daarvoor in de plaats komt een minutieus onderzoek van de dagelijkse omgangstaal.

Tegenwoordig wordt de Tractatus beschouwd als het belangrijkste filosofische werk sinds Kants Kritik der reinen Vernunft. Iedere serieuze filosoof heeft het gelezen. Tegelijkertijd is er geen filosoof te vinden die de afbeeldingstheorie nog verdedigt. Het kamp der Wittgenstein-aanhangers is verdeeld. Aan de ene kant is er een select gezelschap van vooral logici dat het raadsel van de Tractatus wil ontrafelen en het latere werk ongelezen laat. Aan de andere kant is er een veel grotere groep filosofen die meent dat Wittgenstein in zijn latere werk heeft aangetoond dat de afbeeldingstheorie, zoals alle filosofische theorieën, berust op misvattingen over taalgebruik.

Beide groepen hebben gemeen dat voor hen taalfilosofie fundamenteel is. Die opvatting kenmerkt de twintigste-eeuwse analytische wijsbegeerte en is aan Wittgensteins werk ontleend. Sinds de Tractatus gaat een analyse van taal vooraf aan een analyse van het denken. 'De grenzen van het denkbare kunnen alleen in de taal getrokken worden.' Het betekent ook dat, alvorens na te gaan wat er bestaat, we eerst moeten weten wat de zinnen van onze taal betekenen. 'De grenzen van mijn taal betekenen de grenzen van mijn wereld. (5.6)

In Nederland is de naam Wittgenstein onlosmakelijk verbonden met die van W. F. Hermans, die de Tractatus in 1973 vertaalde. Al in 1949, in het verhaal Lotti Fuehrscheim, wordt Wittgenstein door een hoofdpersoon met instemming geciteerd. Dit verhaal is geschreven in Parijs, tijdens de hoogtijdagen van het existentialisme. Hermans' Wittgenstein interpretatie is niet foutloos, maar dat zinkt in het niet bij de verdienste dat hij heeft ingezien dat Wittgenstein, lang voordat hij in de mode was, de grootste filosoof van de twintigste eeuw is.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.