*

U kijkt naar de website van NRCBoeken 2007-2011. Bezoek ook de de huidige site.

Klap in mijn gezicht

Samuel Beckett heeft ooit gezegd: `Molloy en de rest heb ik leren kennen op de dag waarop ik mij bewust werd van mijn domheid. Toen ben ik gaan schrijven wat ik voel'. Toen ik Molloy voor het eerst las, op mijn eenentwintigste, kende ik deze uitspraak nog niet, maar `dom' zou ik Beckett vast niet hebben gevonden. Zijn roman was misschien wel de meest gecompliceerde die ik tot dan toe had gelezen. Ik ben er een paar keer vergeefs in begonnen, pas daarna heb ik hem in één ruk uitgelezen en wist ik dat ik van deze schrijver alles wilde lezen.

Samuel Beckett, Molloy (1951), is verkrijgbaar als uitgave van Grove Press.

Veel zal ik die eerste keer niet hebben begrepen van Molloy. Maar kennelijk maakte dat niets uit voor het effect. Een klap in m'n gezicht - anders kan ik het niet omschrijven. Wekenlang spookten Becketts personages door mijn hoofd: de oude zwerver Molloy met zijn onverwoestbare levenswil tegen alle beter weten in, en - vooral - de privé-detective Moran, de verteller van het tweede deel van de roman. Zelden ben ik een troostelozer personage tegengekomen dan deze neurotische maniak met zijn `stiptheid' en zijn even onwrikbare als krankzinnige `tijdschema'.

Wanneer Moran van een zekere `Youdi' de opdracht krijgt Molloy op te sporen en hij met zijn zoontje op pad gaat, raakt de pijnlijk nauwgezette orde van zijn bestaan op een verschrikkelijke manier in het ongerede. Onderweg verdwijnt zijn zoon, zonder dat het hem lijkt te deren, en zelf verandert hij steeds meer in de kreupele Molloy. Weer thuis, waar alles in verval is geraakt, begint hij te schrijven: `Het is middernacht. De regen klettert tegen de ramen.Het was geen middernacht. Het regende niet'.

Dit wonderlijke slot leek de hele voorafgaande roman in twijfel te trekken. Zo leerde ik de dubbelzinnigheid van de literatuur kennen, al werd ik in eerste instantie geraakt door heel andere zaken. Door Molloy's aandoenlijke gegoochel met zijn `zuigstenen' bijvoorbeeld of door zijn mislukte zelfmoordpoging, die in de tekst slechts een paar zinnen in beslag neemt: `Ik haalde het groentemes uit mijn zak en begon mijn pols door te snijden. Maar de pijn kreeg weldra de overhand. Eerst schreeuwde ik het uit, toen hield ik op, deed het mes weer dicht en stopte het terug in mijn zak.' En natuurlijk door de bijna onmenselijke krampachtigheid van Moran die dingen schrijft als: `Hij had een heel bijzondere manier om papa te zeggen, mijn zoon, als hij me wilde kwetsen'. Ook toen al moest ik om zulke zinnen lachen, ondanks de verontrusting die ze tegelijkertijd teweeg brachten en brengen.

Sinds die eerste keer heb ik Molloy vaak herlezen en geleidelijk ben ik erachter gekomen waarom juist dit boek me destijds zo van streek had gemaakt. Uit de op niets uitlopende avonturen van Molloy en Moran spreekt een langzaam, maar daarom des te heviger aankomend besef van eindigheid. Nu denk ik: dát moet Beckett bedoeld hebben toen hij het had over zijn `domheid', waarvoor ik, naarmate ik meer van hem las, een steeds groter ontzag heb gekregen.

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.