*

U kijkt naar de website van NRCBoeken 2007-2011. Bezoek ook de de huidige site.

Jacoba's mistige, middeleuwse leven

Vrouw tussen de slapjanussen

Hoe mooi was gravin Jacoba van Beieren, hoe intelligent, hoe listig en hoe succesvol? En wat had ze te maken met de 'gebedenboekmoord'?

Was Jacoba van Beieren (1401-1436) eigenlijk mooi, of  misschien zelfs wel ‘sexy’?
De vraag zou alleen maar interessant zijn geweest als het vermoeden  had bestaan dat ze vanwege haar begerenswaardigheid meer macht wist te ontplooien dan wanneer ze als een onaantrekkelijk  schriebeltje door het leven was gegaan.

Maar niks macht, laat staan méér macht.  Ze had koningin van Frankrijk kunnen  worden, als de kleine dauphin met wie ze al  op haar zesde was getrouwd (hij was elf),  niet voortijdig was gestorven. Ze erfde van  haar vader de gewesten Holland, Zeeland  en Henegouwen, maar in het noorden gaven vitale steden hun voorkeur aan haar  oom Jan die een steviger gezagdrager leek  dan een zestienjarig meisje.

De meeste oorlogjes die ze om haar  rechtmatig bezit zou voeren, verloor ze.  Het gearrangeerde huwelijk met haar volle neef hertog Jan (IV) van Brabant had  haar territoriale positie moeten versterken, maar Jan bleek geen ideale, en erger:  geen loyale echtgenoot. Ze verliet hem.  Toen ze in Engeland hulp zocht bij  Humphrey, hertog van Gloucester, bleek  andermaal haar talent voor de verkeerde  partner – een gedroomde ‘invasie’ van  Holland mislukte, net als de gelijktijdig  beraamde (gif)moord op de kwaaie oom.

Steeds duidelijker werd dat ze nooit opgewassen zou raken tegen de twee mannelijke  ‘vijanden’ uit haar leven: de oom, en  neef Filips (de Goede) van Bourgondië,  wiens ambities veel verder reikten dan  naar een paar losse graafschapjes: hij ijverde voor een Bourgondisch eenheidsrijk  dat minstens van Dijon tot Groningen  moest reiken.

Kortom: al wás Jacoba mooi of zelfs  ’sexy’ geweest – het heeft haar weinig tot  niets opgeleverd. Op papier was ze de laatste gravin uit onze middeleeuwen, maar  een hofhouding aan het Binnenhof is haar  niet eens gegund.
En los van alles: wie had van haar eventuele schoonheid moeten getuigen?  De tijdgenoot natuurlijk – maar hoe  volstrekt anders was mooi (om ‘sexy’ er  verder maar buiten te laten) voor iemand  uit de vroege 15de eeuw dan voor ons soort  mensen uit de vroege 21ste? Er waren  schilders, inderdaad. Maar bijna alles wat  aan beeltenis van Jacoba is overgeleverd  staat op hypergestileerde (vaak ook nog allegorische) prenten waarop ze in kleding,  lichaamshouding en gelaatstrekken altijd  meer oogt als een icoon dan als een vrouw.

Gelukkig was er ook Lambert van Eyck  (broer van Jan en Hubert) die – voorzover  bekend als enige – een ‘volwassen’ portret  van haar schilderde in 1432. Het staat op  de omslag van de net verschenen biografie  van Antheun Janse, en het laat een dertigjarige, ontoeschietelijke vrouw zien:  scherpe, bijna harde gelaatstrekken, koele  bruine ogen, dunne lippen – alsof een leven vol teleurstellingen zich ten slotte  heeft verborgen in hooghartigheid.

Niet mooi. Niet wat wij mooi zouden  noemen. De schoonheid moet  schrijverslegende zijn geweest. De 18de-eeuwse historicus Jan Wagenaar dweepte al met de  vrouw die toen zijn voorouder van drie  eeuwen was. Willem Bilderdijk had later  geen goed woord voor haar over, maar uit  de kwalificaties die hij gebruikte (‘slechts  door haar driften geleid’, ‘de overmatige  hitte van haar gestel’, ‘onverzadigbare  wellust’) krijg je de indruk dat het beeld  dat hij zich van haar had gevormd, hem in  erotische zin niet helemaal onverschillig  liet. Aan het eind van de 19de eeuw raakten Busken Huet en P.J. Blok (‘zelfs in de  kronieken beginnen de dorre takken bloesems voort te brengen’) op een lyrische manier weer helemaal in vervoering van haar  vermeende charmes.

Het is wonderlijk. ‘Nog steeds’, blijkt  ook Antheun Janse zich te verbazen, ‘laat  ze Kenau Simonsdr Hasselaer, Amalia van  Solms, Maria van Reichersbergch, Louise  de Coligny, Margaretha van Parma en vele  andere bekende historische vrouwen achter zich’, terwijl je op De Keukenhof (vlak  bij het slot Teylingen, waar ze stierf)  nog altijd wordt verwelkomd door  mooie of lelijke hostessen met een Jacobamuts op.

Zou er zelfs sprake kunnen zijn van  een formele revival? Twee aan haar bestede boeken in één adventstijd: een roman en een biografie. Dat lijkt bijna  geen toeval te kunnen zijn.
De twee hebben vanzelfsprekend  weinig met elkaar te maken, afgezien van de titelfiguur, een  paar locaties en een paar jaartallen. Je  zou naar analogie met Goya – en nadrukkelijk zonder verwijzing naar het  eerder bedoelde sex appeal – kunnen  spreken van een ‘naakte’ en een ‘geklede’ Jacoba. De naakte is van Simone van  der Vlugt, die eerder naam schijnt te hebben gemaakt met ‘literaire thrillers’ (wat zijn dat toch?), en die voor haar half-fictieve Jacoba-portret het hoofdpersonage heeft  ontdaan van alle historische, culturele  en maatschappelijke kostuumstukken  die ze niet kon gebruiken, omdat ze uit  was op een eenduidige, bijna tijdloze  jonge vrouw. Voor lezers die geen flauw  idee hebben wat ze zich bij een 15de-  eeuws ‘Nederland’ moeten voorstellen,  heeft ze een keurig, maar wel erg summier inleidinkje, een paar regio-kaartjes en de stambomen van wat Bourgondiërs en Beierse Wittelsbachen toegevoegd – maar verder wil ze het liefst  doen alsof we te maken hebben met  een eigentijds meisje dat toevallig in de  middeleeuwen woonde, en zich, n’en déplaise ondanks een overheersende moeder en  drie nogal slapjanussige mannen (of  juist daarom), ontwikkelde tot een herkenbare feministe.

Tja, dat kan ook. Daar kan zelfs de  Jacoba van Lambert van Eyck nog als  ‘bewijs’ voor dienen. Van der Vlugt  spreekt zich er niet eens expliciet over  uit – net zo min als over de moordpoging op oom Jan (waarvan Jacoba wel  heeft móeten weten, als ze ’m niet zelf  heeft bedacht) of zelfs maar over Jacoba’s al dan niet mooie fysiek – ze is op  het bange af met haar moeilijke stof  omgesprongen, en dus komt er (misschien ook door de ik-vorm waarin ze  Jacoba laat spreken en denken?) een  wel erg bleek, schamel, ‘academisch’ en  niet erg invoelbaar eendimensionaal  karakter tevoorschijn. En gezien de vele cliché-achtige dialoog- en denkzinnetjes moet ze de literatuur voor haar  volgende thriller hebben bewaard.

De Jacoba van Antheun Janse is ‘aangekleed’ tot in elk detail over de betrouwbaarheid waarvan de biograaf zeker kon zijn. In Janses boek zijn de Nederlandse graafschappen, evenals de  omringende wereld, vervuld van alles  dat op nationale en internationale verhoudingen in het algemeen en op Jacoba in het bijzonder van invloed kan  zijn geweest. Dus niet alleen Hoeken  en Kabeljauwen worden ‘aangestipt’,  ook de Franse Armagnacs versus de  Bourgondiërs spelen hun rol; de betekenis van de nog steeds niet geëindigde  Honderdjarige Oorlog tussen Frankrijk en Engeland is aan de orde, en op  een ruimere tijdschaal de opkomst van  de steden en de burgerij, het ‘herfsttij  der middeleeuwen’, het ontluikende  vaderlandgevoel, en het begin van een  tijdperk waarin niet alleen dichters een  gemeenschappelijk idioom leren gebruiken, maar ook steeds meer mensen  zich in dezelfde bewoordingen tot de  here  God richten, en mekaar in één taal  kunnen uitschelden.

Het is een boordevolle wereld die  Janse ons schetst, en hij lijkt  zich er enigszins voor te willen  verontschuldigen, want zijn meer dan  zorgvuldige onderzoek leidt als vanzelf tot ‘een grisaille, opgebouwd uit  louter grijsschakeringen’. Maar, troost  hij zichzelf en zijn lezers: ‘Soms kan  men daarmee ruimschoots toe’, al is  het maar met de erkenning dat Jacoba  waarschijnlijk meer geleefd is dan dat  ze er zelf veel toe heeft bijgedragen.

Voorzichtig, omzichtig, is Janse niet minder dan Simone van der Vlugt,  maar hij beoefent zijn behoedzaamheid op basis van veelte – er zullen weinig kronieken en kroniekjes zijn die hij  niét heeft geraadpleegd –  om zich er  van te vergewissen of Jacoba tussen datum A en datum B wel of niet verbleef  in Schoonhoven, op haar Henegouwse  kasteel, of als belegeraarster voor de  poorten van Gorinchem. En bij twijfel  krijgen we op een uitvoerig briefje dat  een bepaald feit weliswaar is verondersteld, druk is bediscussieerd of zelfs  voor waar is aangenomen – maar altijd:  in dubio abstine.

Bij Janse liggen de raadsels op tafel,  maar bij gebrek aan driedubbel gebleken zekerheid, blijven het raadsels. Alles over het mislukte huwelijk met hertog Jan IV, over Jacoba’s mogelijke betrokkenheid bij de moordpoging op  haar oom, de waarheid over Humphrey  en het grote mysterie van haar late liefde voor (de Kabeljauw!) Frank van  Borssele, krijgen we te horen onder het  onvermijdelijke voorbehoud, dat elke  middeleeuwse bronnenstudie nu eenmaal vaker uit hiaten bestaat dan uit  vastigheid.

Janse schrijft een aangenaam soort  Nederlands, wat allerminst vanzelfsprekend is bij een onderzoek dat  ogenschijnlijk van bron naar bron  moet hinkelen, en voortdurend het risico loopt het zicht op de ‘eeuw’ te verliezen.
Janse verliest niks. Maar ook hij kan  dus geen uitsluitsel geven over de  vraag of Jacoba nou eigenlijk mooi was  of misschien wel ‘sexy’. Hij twijfelt.

Jacoba van Beieren, enig kind van  graaf Willem VI van Henegouwen,  Holland en Zeeland, vocht vanaf de  dood van haar vader (1417) zeven  jaar lang een conflict uit met haar  oom Jan, die zich als de voogd van  het 16-jarige meisje had opgeworpen. Met steun van de ‘Kabeljauwse’  partij wist Jan van Beieren zich vanaf 1419 als ‘ruwaard’ (landvoogd)  van Holland en Zeeland te vestigen  in ’s-Gravenhage. Vijf jaar later  sloeg de Hoekse partij terug. Vlak  vóór een invasie van een leger onder  leiding van Jacoba’s derde echtgenoot Humphrey van Gloucester  werd Jan vergiftigd – op een manier  die doet denken aan Umberto Eco’s  Naam van de Roos: een huurmoordenaar smeerde Jans gebedenboek in  met gif, opdat hij likkend aan zijn  vingers bij het omslaan der bladzijden aan zijn eind zou komen. Het  duurde even; Jan stierf in 1425. (PS)

Recensies op papier

Boekenbijlage NRC HandelsbladDeze website publiceert elke vrijdag een selectie uit het katern Boeken, dat die dag bij NRC Handelsblad verschijnt. Wilt u alle recensies, interviews, columns en reportages ontvangen, neem dan een zesdaags abonnement of een weekendabonnement op NRC Handelsblad.